Weblog van een politieagent: Mama, ik ga je echt missen hoor, als je dood bent | Regio15.nl
  • Dutch
  • English
DutchEnglish

Weblog van een politieagent: Mama, ik ga je echt missen hoor, als je dood bent

"Het is een mooie avond in april als ik met mijn ploegmaatje in de surveillanceauto zit. Het is een relatief rustige dienst. Ineens horen we via de meldkamer dat er een auto van ons bureau naar een reanimatie gestuurd wordt."


Blog van een politieagent van politiebureau Delft.

"Het is een mooie avond in april als ik met mijn ploegmaatje in de surveillanceauto zit. Het is een relatief rustige dienst. Ineens horen we via de meldkamer dat er een auto van ons bureau naar een reanimatie gestuurd wordt. We kijken elkaar aan en gelijk zoek ik contact met de meldkamer en geef aan dat wij in de buurt zijn en ook naar de reanimatie toe gaan. Met zo’n incident, waarbij elke seconde telt, kan het slachtoffer elke hulp gebruiken! Tijdens de iet wat wilde rit, trek ik mijn handschoenen alvast aan en vraag mijn maatje bij aankomst de AED te pakken zodat ik direct naar het slachtoffer kan.

Al snel komen wij ter plaatse en blijkt dat wij de eerste zijn. Er wordt reeds gereanimeerd en er is al een AED aanwezig. In mijn ooghoek zie ik een wijkagent aan komen rijden. Gelukkig, we zijn niet alleen, dacht ik”. Mijn maatje zet de auto stil en ik spring eruit. Snel neem ik de reanimatie over van een omstander. Ineens valt het mij op dat dit een jonge vrouw is, welke ik nu aan het reanimeren ben. Ik heb eerder reanimaties gehad, maar zo jong eigenlijk nog niet.

Ik hoor naast mij hoe mijn maatje aan de omstanders vraagt wat er gebeurd is. Zij blijken allen vriendinnen en familie te zijn van het slachtoffer. Zij hadden een vrijgezellenfeest georganiseerd en wilde het slachtoffer daarmee verrassen. Toen het slachtoffer aan kwam en de groep groette, stortte ze ineens in elkaar.

“Vrijgezellenfeest, trouwen? Ik ga ook trouwen dit jaar”, ging er door mij heen. De vrouw leek nog zo jong. Ineens kwam het wel heel dichtbij. Ondanks dat je erg gefocust bent op wat je moet doen, schieten er in een split second allerlei gedachten door je heen. Terwijl ik ondertussen gewoon door ga met de reanimatie, raak ik in een soort tunnelvisie. Het lijkt heel even of ik helemaal alleen ben met het slachtoffer en dat wij samen vechten voor haar leven terwijl er inmiddels flink wat omstanders en collega’s bij zijn gekomen.

Ondertussen is de eerste ambulance gearriveerd. Die liet gelukkig niet lang op zich wachten. Het is altijd fijn als de ambulance er is. Waar onze kennis zich beperkt tot het reanimeren, zijn zij medisch geschoold en weten zij wat er verder met een slachtoffer moet gebeuren om deze adequaat te helpen. Mij wordt gevraagd om door te gaan met reanimeren zodat zij andere medische handelingen kunnen verrichten.

Ik ben al even bezig met reanimeren als ik ineens een hartslag lijk te voelen. Nog een beetje in twijfel spreek ik snel de ambulancemedewerker tegenover mij aan, welke mij vraagt om even te stoppen met reanimeren. Ja hoor, gelukkig! Op de hartmonitor is te zien dat het slachtoffer weer een hartslag heeft. “Yes, gelukt! Is de gedachte die door mij heen gaat.” Echter verdwijnt die positieve vibe weer net zo snel als dat ie gekomen is, want het ambulancepersoneel lijkt met allemaal vragen te zitten. Zij proberen in alle macht het slachtoffer weer bij kennis te krijgen, wat over het algemeen vrijwel vanzelf gaat als er weer een hartslag is, maar dat lijkt helemaal niet te lukken. Al snel wordt er om de traumahelikopter gevraagd.

Ook de tweede ambulance is ter plaatse gekomen en inmiddels is men met 4 man bezig met het slachtoffer. Ik krijg een zakje met vloeistof in mijn handen gedrukt en een infuus wordt aangelegd. En daar sta ik dan; met een infuuszakje in mijn hand en met mijn neus overal bovenop terwijl er allerlei medische handelingen worden verricht. Ik kan u mededelen dat dit echt geen fijn gezicht is. Het is een triest gezicht; een jonge vrouw, op de grond, die vecht voor haar leven, met 4 man van de ambulance erbij die koste wat het kost de vrouw proberen te redden. Het lijkt maar niet te lukken en als ik naar de bezorgde gezichten van het ambulance personeel kijk, besef ik mij dat hoe langer dit incident voort duurt, hoe slechter het voor het slachtoffer eruit komt te zien.

Even later komt de traumahelikopter ter plaatse. Al snel komt men tot de conclusie dat het iets neurologisch moet zijn en dat het slachtoffer met spoed naar het ziekenhuis in Rotterdam vervoerd moet worden om daar de nodige hulp te krijgen. En daar gaat ze dan; met gillende sirenes en een arts van de traumahelikopter naar het ziekenhuis.

Ik zoek snel mijn maatje op. Hij staat bij de vriendinnen en familie van het slachtoffer. Ik leg hen uit wat stand van zaken is en vraag of iemand haar verloofde al heeft ingelicht. Het blijft heel stil en vervolgens komt men tot de conclusie dat die nog van niets weet. Aangezien dit nieuws heel lastig is om te brengen, vraag ik of men zelf het slechte nieuws wil vertellen of dat wij dat moeten doen. Men is zo van slag, dat zij het wel heel fijn zouden vinden, als wij het slechte nieuws aan de verloofde zouden brengen. Oef, dat wordt zwaar bedenk ik mij. Ik heb het ze zelf aangeboden, maar ik had het fijner gevonden als iemand anders dit had gedaan. Naast het feit dat deze reanimatie al heel zwaar was, bedenk ik mij dat het brengen van het slechte nieuws, emotioneel gezien, nog veel zwaarder wordt. Na het één en ander kort gesloten te hebben en nadat er gezorgd is dat iedereen goed thuis kan komen, stappen mijn maatje en ik in de politieauto.

In eerste instantie is het heel stil in de auto. We moeten een minuut of 20 rijden en na een korte stilte begint het gesprek onderling langzaam op gang te komen. Terwijl wij met zijn tweeën het incident bespreken, beseffen we ons steeds meer dat het wel erg slecht gaat met het slachtoffer en dat wij ervoor willen zorgen dat haar verloofde zo snel mogelijk in het ziekenhuis komt. Mijn collega, welke achter het stuur zit, gaat steeds harder rijden, alsof we een spoedmelding hebben. Misschien niet helemaal zoals het hoort, maar ons gevoel zegt dat we snel moeten zijn.

Daar staan we dan uiteindelijk; voor de deur van de verloofde. Mijn hart bonst in mijn keel en onderweg naar het adres heb ik in mijn hoofd al geoefend wat ik ga zeggen. Want ja, hoe zeg je zoiets? Het moet duidelijk en direct zijn, maar je moet ook empathie kunnen tonen. Dat is eigenlijk de rode draad wat je mee krijgt in de politieopleiding. Nou geloof me, met die empathie zit het wel goed. Het huilen staat mij, na die reanimatie, nader dan het lachen. Met lood in onze schoenen bellen we aan. In de woning treffen wij de verloofde, een meisje van een jaar of 3 en een andere bekende van de verloofde. Daar was ik al bang voor, men had ons al medegedeeld dat het slachtoffer een dochtertje had en nu bleek dat ook het meisje thuis was. Gelukkig heeft een kind van een jaar of 3 vaak de ernst van de zaak nog niet door, maar het flitst door mijn hoofd dat ik over enkele ogenblikken het leven van dit, o zo jonge, meisje op zijn kop ga zetten door haar vader het slechte nieuws te brengen. We komen uiteindelijk snel ter zake, net zoals ons dat geleerd is in de politieopleiding. Uiteraard is de verloofde even van de kaart van het nieuws wat we hem zojuist brachten, maar al snel wil hij direct naar zijn “meissie” in het ziekenhuis. Ik heb het idee dat hij de ernst van de zaak nog niet goed kan inschatten. Wij bieden hem aan om hem te brengen en gelukkig maakt hij daar ook gebruik van. Het dochtertje kan gelukkig worden opgevangen door de bekende van de verloofde en we stappen in de auto om zo snel mogelijk naar het ziekenhuis te gaan.

Terwijl de verloofde zijn familie, welke om de hoek woont, het slechte nieuws bracht, hebben wij snel met de meldkamer contact gezocht en gevraagd of wij met zwaailicht en sirene naar het ziekenhuis mochten rijden, omdat de toestand van het slachtoffer erg slecht was. Op de meldkamer hadden ze het hele incident meegekregen, de telefoniste was zelf ook ontdaan door het incident en zodoende kregen we toestemming om “alles aan te zetten”. Dus zwaailicht en sirene aan en gaan!

De rit naar het ziekenhuis leek wel uren te duren, zeker als je een langere tijd met de herrie van de toeters en bellen rijdt, wordt je horensdol van die herrie. Uiteindelijk zijn we binnen no-time in het Erasmus MC aangekomen. Omdat op dat moment de artsen nog druk bezig zijn met het slachtoffer, mag ook de verloofde nog niet naar zijn “meissie” toe. We worden in een familiekamer gezet, althans zo las ik op het bordje bij de deur. Het betreft niets anders dan een klein kamertje met een stuk of 6 tot 8 stoelen daarin. Het is er kaal en kil. Wij beloven de verloofde dat we nog even bij hem blijven totdat hij naar zijn “meissie’ mag of totdat er meer familie is om hem op te vangen. De verloofde stelt enkele vragen aan ons, maar bovenal blijft het stil. Heel erg stil. “Wat zal er door die man heen gaan? Hebben wij het goed gedaan? Hadden wij meer kunnen doen?” Allemaal vragen die, met het terugkeren van de rust, door mij heen flitsen. Na verloop van tijd arriveert er meer familie, waaronder een aantal vrouwen van het vrijgezellenfeest. Wij wensen hen allen sterkte en nemen afscheid.

Terwijl we door de gang lopen van het ziekenhuis zien wij het ambulancepersoneel dat zojuist bij onze melding was. Zij nodigen ons nog even uit voor een “bakkie”. Ondanks dat we al een tijdje weg zijn van ons bureau, nemen we de uitnodiging aan. We bespreken het incident nog even met zijn allen en ons wordt medegedeeld dat we goed gehandeld hebben en dat we niets meer hadden kunnen doen, dan dat we nu gedaan hebben. Normaal gesproken is dat wel fijn om te horen, maar toch merk ik dat mijn collega, het ambulancepersoneel en ik, nog zwaar onder de indruk zijn van het incident en dat wij allen beseffen dat het erg slecht gaat met het slachtoffer.

Even later lopen wij terug naar onze auto en zien we het personeel van de traumahelikopter. Mijn maatje vraagt hoe het met het slachtoffer gaat. Als eerste komt het voor ons welbekende antwoord: “je weet dat we geen medische informatie mogen verstrekken”. Mijn maatje dringt nog een beetje aan en legt ook uit dat hij alleen maar wil weten of het slachtoffer er bovenop komt of niet. De arts van de traumahelikopter schudt zijn hoofd en geeft aan dat het slachtoffer het hoogstwaarschijnlijk niet gaat redden. Aangeslagen lopen mijn collega en ik terug naar ons voertuig en rijden we terug naar het bureau. Het is heel stil in de auto. De stilte wordt zo nu en dan afgewisseld met wat evalueren en het delen van ervaringen over het incident, maar een groot deel van de tijd maalt het incident door in onze koppies zonder dat er wat gezegd wordt. Een paar dagen later, krijgen we ineens een envelop aan het bureau. Het is de rouwkaart van het slachtoffer. Bah, denk ik, ze heeft het dus toch niet overleefd. Normaal gesproken ontvangen wij dit soort kaarten niet, maar wat ben ik de verloofde dankbaar dat er ook aan ons gedacht is, door de afloop van het incident te horen, hoop ik dat dit incident ooit een plekje zal krijgen. Dit incident is ons namelijk niet in de koude kleren gaan zitten.

Als ik een paar dagen later op de verjaardag van mijn maatje ben, neemt hij me even apart en laat hij mij een 2 pagina grote advertentie zien in de krant. Het betreft de rouwadvertentie van het slachtoffer. Het is een mooi en groot stuk met foto’s erbij, geschreven door de verloofde van het slachtoffer. Ik lees hoe de verloofde schrijft dat ze de verkeerde te pakken hebben en dat hij op de tafel met trouwkaarten, nu ineens op de andere hoek van de tafel, de rouwkaarten heeft liggen. En terwijl ik de tranen voel opwellen, lees ik een uitspraak van het dochtertje van het slachtoffer, wat zij enkele weken daarvoor tegen haar moeder had gezegd. Zij had gezegd “mama, ik ga je echt missen hoor, als je dood bent.”

Deze blog is geschreven door een politieagent van politiebureau Delft, gelegen aan de Jacoba van Beierenlaan in Delft.